Al corazón de la tierra: de case van Río Tinto.


Herhaalt de koloniale mijnbouwgeschiedenis zich ?

 In het hart van Huelva, de meest zuidwestelijke provincie van Spanje, ligt een mijngebied met een even interessante als problematische geschiedenis. De streek wordt doorkruist door de Río Tinto (‘rode rivier’), zo genoemd naar de roodbruine kleur die de rivier doorheen de eeuwen gekregen heeft. ‘Tinto’ is hier echter een eufemisme voor water met een grote concentratie aan geoxideerd ijzer en een hoge zuurtegraad, te wijten van de mijnbouwactiviteiten die al sinds de komst van de Oude Grieken en Romeinen plaatsvonden in de streek. Middenin deze overigens erg traditionele Andalusische regio -de grootschalige industrie rond de hoofdstad Huelva even buiten beschouwing gelaten- stoot je tussen witgewassen dorpen, vergeten en verlaten landbouwgehuchten, steen- en kurkeikboomgaarden en rotsige heuvels plots op een vreemd plaatsje dat er op het eerste gezicht meer Engels dan Spaans uitziet. Victoriaanse huizen en een presbyteriaanse kerk verwacht je immers niet meteen in dit warme, diepe zuiden van Europa.

We bevinden ons in Minas de Riotinto, het centrum van de Cuenca Minera de Huelva-
de mijnregio van de provincie. De Engelse elitewijk Bella Vista van dit dorp, vandaag nog zo goed als intact en als één van de toeristische trekpleisters van de streek te bezichtigen, werd er uit de grond gestampt door de Río Tinto Company Limited, die in 1873 als kersverse corporation de Río Tinto-mijnen kocht van een Spaanse regering in crisis. De kolonialisten bliezen de ontginning van de streek, die van nature altijd al rijk was geweest aan mineralen, nieuw leven in. De periode tussen 1877 en ’91 betekende er een enorme boom voor de mijnbouw: De Río Tinto Company werd toen de wereldleider op vlak van koperproductie. Zo voorzagen de Engelsen de snel ontwikkelende westerse wereld van Spaanse metalen en de onubenses –zoals de lokale bevolking van Huelva genoemd wordt- van brood en spelen (voetbal!). Maar er valt ook een andere kant van het koloniale verhaal te vertellen.

Apartheid en Giftige Rook

In april 2007 verscheen in Spanje de op het gelijknamige boek van Juan Cobos Wilkins gebaseerde film El Corazón de la Tierra (‘Het Hart van de Aarde’). Het verhaal belicht een van de vele weggemoffelde episodes uit het woelige negentiende en twintigste-eeuwse Spanje: het protest van de lokale bevolking uit de comarca rond Riotinto in 1888 tegen het Engelse mijnbouwbedrijf, dat door vele historici beschouwd wordt als het ‘eerste ecologische protest’ uit de geschiedenis.

Rond die tijd werkten in Minas de Riotinto en omstreken niet alleen mijnwerkers uit Andalusië, maar ook andere Spanjaarden, in het bijzonder Asturianen en Galiciërs.
Ze waren naar Huelva gekomen met de welvaartsbelofte die de Engelsen hen voorhielden: de aarde zou hen allen rijk maken. Tussen de Britse kolonialisten en de lokale Spaanse bevolking bestond er echter niet alleen een culturele, maar ook een welvaartskloof- waarvan het contrast tussen de Bella Vista-wijk en de kleine vervallen mijnwerkershuisjes ook vandaag bij een bezoek aan Riotinto nog een schrijnende getuige is. Lola Galán, journaliste van El País, schrijft dat de Engelsen op die manier een soort ‘apartheid’ instelden in Riotinto: “Aan de ene kant had je de Engelse bedrijfsleiders en hun personeel, opgesloten in hun luxeghetto [Bella Vista]; aan de andere kant de lokale bevolking, zonder recht op eigendom, als slaven op hun eigen grond.” De Spaanse regering liet rustig begaan, maar het volk kwam in opstand.

Op zaterdag 4 februari 1888, in het verlengde van een staking die al op 1 februari begonnen was, kwamen tussen twaalf- en veertienduizend mensen uit de streek samen bij de mijn Cerro Colorado, om te protesteren tegen de lage lonen van de mijnwerkers en de aanhoudende zware luchtvervuiling. Ze voelden, met andere woorden, dat hen onrecht werd aangedaan op sociaal én ecologisch vlak, en dat die twee met mekaar samenhingen. Schrijver Juan Cobos Wilkins vertelt:
“De definitieve aanleiding tot het conflict waren de ‘openluchtcalcinaties’, een methode die de Engelsen in Spanje actief toepasten en in hun eigen land nochtans verboden was: het langzaam verbranden, gedurende dag en nacht, van ruwe mineralen tot grote brokken. Dat verbrandingsproces stuurde dichte, met zwaveldioxide vergiftigde rookwolken de atmosfeer in. Wanneer deze niet door de wind werden weggeblazen, bleven ze in de vallei hangen: zo ontstond wat de lokale inwoners la manta (‘het deken’) gingen noemen. In de donkere dagen van la manta sloten de mensen zich op in hun huizen, of ze vluchtten naar de bergen dichtbij, terwijl de dichte zwaveldampen, als een danteske nachtmerrie, hun land verwoestten.”

Niet alleen de mijnwerkers, maar ook de landbouwers uit de streek zagen hoe de activiteiten van de Río Tinto Mining Company op deze manier hun oogsten ernstig aantastten. Deze situatie leidde tot de oprichting van een ecologische beweging avant-la-lettre, La Liga Antihumos
(‘de antirookliga’)- die samen met de mijnwerkers en boeren, georganiseerd onder leiding van ‘protestheld’ Maximiliano Tornet, de staking en de daaropvolgende manifestatie op gang trok. Volgens Cobos Wilkins, wiens grootouders in dat fin du siècle Riotinto leefden en werkten, kwamen tijdens de manifestatie van 1888 in confrontaties met het leger, dat de Engelse elite beschermde, tussen de honderd en tweehonderd demonstranten om het leven. De officiële cijfers houden het echter op niet meer dan veertien slachtoffers. Lola Galán licht toe: “Het protest tegen het machtigste bedrijf van het land was voorbestemd om in de vergetelheid te belanden, aangezien de Río Tinto Company met haar aankoop en exploitatie van de mijnen de Eerste Spaanse Republiek van het bankroet redde. Het nationale hooggerechtshof zat een beetje verveeld met het incident, dat uiteindelijk toch maar in het afgelegen mijngebied van Huelva had plaatsgevonden; er werd dan ook nagenoeg over gezwegen.”

Dit verklaart waarom het ‘eerste ecologische protest uit de geschiedenis’ in weinig geschiedenisboeken is opgenomen én waarom de problematiek een eeuw later nog steeds onderwerp is van hevige polemiek in het immer in extremen verdeelde Spanje. De release van ‘El Corazón de la Tierra’ wakkerde één en ander dan ook weer aan. Volgens enkelen was de komst van de Río Tinto Company een goede zaak voor de economie van de arme provincie Huelva (bovendien hadden de Engelsen het voetbal naar Spanje meegebracht en werd Recreativo de Huelva zo de eerste Spaanse voetbalclub, alsjeblieft); zij vermelden de onderdrukking van het protest dan ook graag als een voetnoot bij de zogenaamde welvaart die de mijnbouw er heeft opgeleverd. Volgens vele anderen is het een treurige en op schandelijke wijze verborgen episode uit de moderne geschiedenis van Andalucía- een streek historisch geroemd om zijn tolerante samenleving van verschillende beschavingen. In 1888 stierven pioniers van de sociaalecologische strijd- gewone mensen, die menswaardigere werkomstandigheden en propere lucht vroegen en weinig meer.

De geschiedenis maakt kringetjes (of toch niet?)

De Rio Tinto Mining Company bleef nog tot 1954 de mijnen rond Riotinto exploiteren. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-’39) zou het bedrijf trouwens op krediet ertsen verkocht hebben aan de fascisten, wat Franco in staat stelde om zaken te doen met Hitler en de oorlog tegen de Spaanse Republikeinen te financieren. In 1954 kocht de Spaanse regering van dictator Franco de mijnen weer over van de -ondertussen multinationale- Engelse onderneming. Gaandeweg zou de mijnactiviteit afnemen ten voordele van de petrochemische industrie die in provinciehoofdstad Huelva op gang begon te komen. In 2001 werd de laatste mijn -symbolisch genoeg Cerro Colorado- gesloten. De comarca maakte een ommezwaai naar de landbouw. Vandaag de dag zie je dat er dan ook veel geïnvesteerd wordt in allerlei lokale projecten voor plattelandsontwikkeling. Juan Cobos Wilkins maakt hier een interessante bedenking over: “Zelfs vanuit dat oogpunt is de geschiedenis van Riotinto vreemd. De normale gang van zaken is de overgang van landbouw naar industrie. Maar hier, waar de Tartessiërs al zo’n drieduizend jaar geleden de ertslagen ontgonnen en waar een belangrijke industrie gevestigd geweest is, gaan we in de omgekeerde richting.” Voor het overige gaat er in Riotinto veel geld naar wetenschappelijk onderzoek: volgens de NASA is het namelijk de streek op aarde die de meeste gelijkenis zou vertonen met de planeet Mars.

Dat de mijnbouw er helemaal tot de geschiedenis behoort en Minas de Riotinto vandaag de dag niet meer dan een toeristische attractie is, zoals Lola Galán ter besluit van haar reportage in
El País van 31 maart 2007 opmerkt, zal misschien onwaar blijken. Er gaan immers meer en meer stemmen op om de mijnen van Riotinto te heropenen. Als gevolg van de toenemende, universele energie- en grondstoffenschaarste, zou het opnieuw rendabel zijn om het koper dat er nog in de aarde zit, te ontginnen. Verschillende bedrijven, waaronder Emed Tartessus Mining, zijn geïnteresseerd en onderhandelen met de Junta de Andalucía, de regionale overheid.
“Eens de economische en juridische situatie wordt opgelost, die dateert van de laatste sluiting in 2001, en het vertrouwen van de overheid wordt gewonnen, is hier genoeg metaal aanwezig voor een minstens tienjarig project van wereldklasse, hoewel er ook enorme historische problemen moeten overwonnen worden”, aldus een woordvoerder van het bedrijf.

De vraag is of het volk het zover zal laten komen. De koloniale geschiedenis zit dankzij
“El Corazón de la Tierra” alvast weer vers in het geheugen van de Spanjaarden, maar hoe dan ook zal het enige alternatief voor de mijnbouw in de streek de verdere duurzame plattelandsontwikkeling zijn (landbouw, toerisme). Ondertussen blijft het vreemde maanlandschap rond Minas de Riotinto getekend door de mijnbouw: de gigantische krater van de open pit mijn Corta Atalaya -de grootste in Europa-, de roestige ontginningsinstallaties, het mijnwerkerstreintje dat vandaag de dag toeristen vervoert, de vervallen golfbaan waar de Victoriaanse bourgeoisie ooit haar vrije uren doorbracht met tea and biscuits. Net als in Gibraltar of Marbella wisten de Engelsen ook hier hun eigen enclave binnen Zuid-Spanje te veroveren.

En de Río Tinto Mining Company zelf? Die is vandaag als de Río Tinto Group nog steeds één van de voornaamste multinationale mijnbouwondernemingen ter wereld, met operaties in o.a. Zimbabwe, Perú, Mongolië en Indonesië. De Río Tinto Company heeft zich een imago aangemeten van duurzaamheid en sociale verantwoordelijkheid in ontwikkelingslanden, en volgens een recent onderzoek van Etisphere Magazine (2008) is de onderneming inderdaad één van de ‘meest ethische bedrijven ter wereld’. Samen met Alcoa wordt de Río Tinto Group als enige mijnbouwbedrijf vermeld in die lijst, die ondernemingen in de kijker zet die “verder dan de legale minima gaan en innovatieve ideeën aanbrengen om het publieke welzijn te vergroten en haar eigen ecologische voetafdruk te verminderen”. De vraag blijft echter of mijnbouw tout court te verzoenen is met duurzame ontwikkeling. Een andere vraag is of de Río Tinto Group lessen trekt uit haar geschiedenis.

We maken een sprong van eind negentiende eeuw naar het begin van de eenentwintigste, van Spanje naar Zuid-Amerika. In 2007 tekende de Río Tinto Group een overeenkomst met de Peruaanse regering om de omgeving rond de gemeenschap La Granja (in Cajamarca, Noord-Perú) te exploreren. Er zou daar namelijk heel wat koper in de aarde zitten. Volgens een voorstellingsvideo van het project op de website van de multinational, gaat er in deze exploratiefase (die mogelijk nog enkele jaren zal duren) uitermate veel aandacht naar enerzijds de ecologische gevolgen, anderzijds het socio-economische aspect van een mogelijke ontginningsoperatie in de streek.
Diego Rivera, milieucoördinator van het project in La Granja, vertelt dat op ecologisch vlak het belangrijkste probleem dat van het water is: de overstromingen tijdens het regenseizoen, en het zure afvoerwater dat de mijnbouw met zich mee zal brengen (zie: Río Tinto te Huelva…). Een andere woordvoerster in de video is Carina Vitanea: zij draagt bij tot de inventarisatie van de ecologische risico’s van het project die in het dossier moeten opgenomen worden voor het van start kan gaan. Steve Botts, algemeen manager van het project in La Granja, zegt: “Ons belangrijkste principe is dat we de mijn nu net ontwerpen met het zicht op de slúiting ervan na mogelijke activiteiten. Als blijkt dat we ze niet kunnen sluiten op een ecologisch en sociaal verantwoorde manier, gaan we ze ook niet openen.” Verder beweert de Río Tinto Group te zullen investeren in duurzame gemeenschapsprojecten in La Granja en de omliggende gemeenschappen, onafhankelijk van de mijn (zoals onderwijs en ziekenzorg). “Mijn doel is om model te staan voor een duurzame manier van mijnbouw, met respect voor de lokale bevolking en het milieu, een mijnproject waar iedereen fier op kan zijn”, besluit Steve Botts. In de video komen buiten een schooldirecteur echter weinig indigenas aan het woord. Benieuwd dus of de woorden van Botts meer dan greenwashing zijn en of het project inderdaad tot een duurzaam voorbeeld van mijnbouw zal leiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het project van Monterrico Metals in de omgeving van de Río Blanco (ook Noord-Perú). Daar sprak bijna 95% van de lokale bevolking zich in september 2007 in een referendum uit tégen het uitbouwen van een kopermijn, een duidelijk ‘nee’ waarmee de onderneming echter niet van plan is rekening te houden. De Peruaanse regering zal in die kwestie uiteindelijk de knoop moeten doorhakken.

Ter besluit: Herhaalt de koloniale mijnbouwgeschiedenis zich ?

Bedrijven kopen en verkopen, openen en sluiten mijnen, verhuizen van één site naar een andere en laten vaak heel wat schade achter. Zo gaat het al meer dan honderd jaar. Wat de Engelse Río Tinto Mining Company in Huelva deed, verschilt in wezen niet van wat er op neokoloniale wijze vandaag gebeurt: multinationals trekken naar ‘ongerepte’ landen, waar de lonen laag liggen, er weinig tot geen sociale zekerheid is en milieunormen gemakkelijk te omzeilen zijn. Meestal gaat dit proces dan ook gepaard met uitbuiting van de lokale bevolking en een grote druk op het lokale ecosysteem (zie de case van Monterrico Metals in Río Blanco). De vraag is dan ook of de Río Tinto Group zo verschillend is van andere bedrijven als ze zelf beweert, en of ze lessen getrokken heeft uit het ‘eerste ecologische protest’, gericht tegen haar activiteiten.

Wordt het project dat in La Granja voorligt een zoveelste voorbeeld van het bekende koloniale mijnbouwverhaal? Of is mijnbouw op een duurzame wijze, waar iedereen beter van wordt, dan toch mogelijk? Het zijn vragen die verder onderzoek en engagement vergen, niet alleen ter plaatse, maar ook hier in het Westen.

__________________________________________________________________________
© Wies Willems, juli 2008

CATAPA.BE - Mijnbouw beweegt Noord en Zuid

BRONNEN:
- Bezoek aan Minas de Riotinto, februari 2008

- Cobos Wilkins, Juan. “Los mártires verdes de Riotinto”. (4 februari 2007) (online op Noticias - Portae Inferi, http://portaeinferi.blogspot.com)

- Galán, Lola. “Los muertos sin nombre de Riotinto”. (El País, 31 maart 2007)

- Narbona Márquez, Saúl. “Breve Historia de Minas de Riotinto”. (1994) (online op Riotinto Digital – http://www.riotintodigital.es)
- Pérez, Claudi. “La fiebre del cobre reabre minas en España”. (El País, 3 februari 2008)

- Website CATAPA, http://www.catapa.be

- Website Etisphere Magazine, http://www.ethisphere.com

- Website Rio Tinto Group, http://www.riotinto.com

- Wikipedia: Rio Tinto Group, http://en.wikipedia.org/wiki/Rio_Tinto_Group