Mijnbouwprotesten in Cañaris, Noord-Peru


Update 4/2/13: Aanvankelijk was er sprake van 1 dodelijk slachtoffer. Maar noch het ngo-netwerk Muqui, noch de Coordinadora de Derechos Humanos (nationale Mensenrechtencoördinatie) hebben voorlopig officieel bericht over een 48-jarige man die aan zijn verwondingen zou zijn overleden.Verschillende media verspreiden tegenstrijdige berichten. Volgens de nationale politie gaat het om een 70-jarige man die aan een hartaanval overleed, en niet als gevolg van confrontaties tijdens de protesten.Vast staat dat het conflict in Cañaris verder duurt. Momenteel worden er pogingen tot dialoog aangevat vanuit de centrale regering, maar lokale leiders willen daarover eerst overleggen met hun achterban. Ze sluiten nieuwe stakingen tegen het mijnbouwproject niet uit.

Op donderdag 3 januari kondigde het Canadese Candente Copper Corporation aan dat het de exploitatiewerken in Cañaris, gelegen in de regio van Lambayeque in het Noorden van Peru, zou hervatten. De concessie voor de Cañariaco-mijn beslaat 15 000 hectare, waarvan 2000 hectare wel degelijk zou worden ontgind. Het project beoogt een productie van 262 miljoen pond koper, 39 000 ounces goud en 850 000 ounces zilver per jaar gedurende een periode van 20 jaar. De economische waarde van het project wordt geschat op 1,5 miljard dollar.

In een referendum, georganiseerd op 30 september 2012, spraken de boerengemeenschappen van Cañaris en Marayhuaca-Incahusi zich uit tegen het mijnbouwproject. Het resultaat was echter niet bindend, maar symbolisch van aard.  Men hoopte aan te tonen dat dit project geen sociaal draagvlak heeft, om op die manier tot dialoog te komen met de regering. Bij gebrek aan respons trokken enkele verzetsleiders in november naar het Ministerie van Milieu om hun oproep kracht bij te zetten en een dialoog te iniciëren. Wederom leidde dit niet tot het gewenste resultaat. Bij gebrek aan alternatieven ging men op 20 januari 2013 opnieuw over tot vredevol protest.

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken reageerde meteen en kondigde aan dat nieuwe militaire zones worden opgericht in verschillende mijnbouwzones. Tegelijkertijd stuurde men verschillende politie-eenheden van Lima, Jaén, Pucará en Chiclayo naar Cañaris om het protest de kop in te drukken. Alsook werden de beruchte DINOES uitgestuurd, een specifieke eenheid binnen de Peruaanse Nationale Politie. Deze eenheid is gespecialiseerd in oorlogssituaties en heeft een dubieuze reputatie. In vorige mijnbouwconflicten, waaronder het conflict in Cajamarca (Conga), resulteerde hun tussenkomst in meerdere gewonden en dodelijke slachtoffers.

Op 25 januari kwam het tot een gewelddadige confrontatie tussen manifestanten en een honderdtal politie-agenten toen 400 personen de Marayhuaca-weg, die naar de mijnsite leidt, blokkeerden. 28 manifestanten raakten gewond, waaronder 4 zwaargewonden. Verschillende bronnen als de officiële ziekenhuisrapporten maken melding van zware schotwonden. Dit wordt echter ontkent door kolonel Jorge Linares Ripalda en de voorzitter van het Bureau van de Nationale Dialoog volgens wie er alleen rubberen kogels werden gebruikt.  Lokale verzetsleiders kondigden aan dat meer manifestaties zullen volgen.

Vele sociale organisaties trekken aan de alarmbel en hekelen de samenwerking tussen de Peruaanse staat en de mijnbouwmultinationals. Volgens hen is de beslissing van het Ministerie van Binnenlandse zaken om de mijnbouwzones te militariseren wederom een stap in de foute richting; repressie, niet dialoog, is het antwoord van Peruaanse regering op het stijgend aantal sociale conflicten in mijnbouwzones.